Mijn bijdrage aan een Keniaans kindertehuis - Deel 1

19 MEI 2017

In 2009 ging één van onze founders voor Stichting Watu Wangu naar Kenia, in deze blog deelt hij zijn ervaringen.

Het voorjaar van 2009 brak aan. Tijd om een zomervakantie te boeken. Ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Mijn beste vriend Harald Wijnholds en ik wilden onze zomer eens anders invullen dan enkel lui op een luchtbed dobberen tijdens een typische strandvakantie. Nog voordat we serieus begonnen met nadenken, wisten we onze bestemming al: Kenia. Harald was er een jaar eerder geweest. Via Radio 538 had hij een reis gewonnen, hoewel avontuur een treffender woord was. De opdracht was namelijk om het met twee dollar per dag een week lang uit te houden in de getto’s van Nairobi. In die week kreeg hij zoveel narigheid en onmenselijke dingen onder ogen, dat hij graag terug wilde om de mooie kant van Afrika te zien. Maar toch ook vooral om iets te kunnen betekenen voor de mensen in Kenia. Ons doel werd Stichting Watu Wangu, een kindertehuis voor opvangkinderen uit de regio Kiui. Op naar Kenia. Zoals het goede studenten betaamt, wilden we zo goedkoop mogelijk vliegen. Uiteindelijk wisten we voor zeshonderd euro een retourtje Kenia te boeken. Binnen dat retourtje zagen we overigens een aardig deel van de wereld. Via Düsseldorf vlogen we naar Londen, waar we met de bus van Standsted naar Heathrow reden. Vervolgens bracht het vliegtuig ons naar Doha, waar we vier uur op onze vlucht naar Nairobi moesten wachten. Nou is wachten al niet mijn favoriete bezigheid, de temperatuur van 48 graden maakte het tot vier heel lange uren. Maar goed, we hadden als studenten wel een goedkope vlucht te pakken. “In het gezelschap van een donkere man die zeker de twee meter aantikte, bracht ze ons naar haar auto. Ze vertelde dat het voor twee blanken en een donkere vrouw veel te gevaarlijk was om door de binnenlanden te reizen.” Spanning, enthousiasme en verwonderingAangekomen op het vliegveld van een stad met 3,1 miljoen inwoners merkte ik enige spanning bij mezelf. Ondanks de voorbereiding, waar we maanden mee bezig waren geweest, wist ik niet goed wat me te wachten stond. Thuis in Nederland lijkt alles vrij overzichtelijk. We lieten ons inenten, kregen pillen mee en het avontuur om mijn visum bij de Keniaanse Ambassade in Den Haag op te halen vergeet ik nooit meer. Ook hadden we veel instructies meegekregen: geen korte broeken, sieraden of merkkleding dragen. Maar wanneer het avontuur dan start, geeft dat toch een apart gevoel. Spanning, maar ook veel enthousiasme. We werden ontvangen door Hellen Mbathi, een grote donkere vrouw en oprichtster van Watu Wangu. In het gezelschap van een donkere man die zeker de twee meter aantikte, bracht ze ons naar haar auto. Ze vertelde dat het voor twee blanken en een donkere vrouw veel te gevaarlijk was om door de binnenlanden te reizen. Onze eerste bodyguard-ervaring was een feit. De reis naar Tulia, waar Watu Wangu gevestigd is, was lang. Vanuit de oude personenauto keken we onze ogen uit. Mijn spanning en enthousiasme maakte plaats voor verwondering. De stad Nairobi leek smerig en stoffig. Overal stonden onafgebouwde flats en andere gebouwen. “Zo gaat dat hier. Als het geld op is, dan stoppen ze met bouwen. Soms kan dat jaren duren”, kregen we te horen. Binnen een klein uur verstomde het geschreeuw en getoeter waarmee mensen en auto’s zich een weg baanden in de miljoenenstad. We reden Nairobi uit en begonnen aan een helse tocht door de binnenlanden. Met de vele gaten in de weg had de auto het zwaar te verduren. En was er eindelijk een stukje waar we de negentig kilometer per uur haalden, dan doemde er snel een hobbel op die onze snelheid naar stapvoets deed terugbrengen. Na 2,5 uur rijden kwamen we bij het kindertehuis aan. Een korte stop volgde, waarna we twee kilometer verder reden en onze verblijfplaats vonden. Het ‘resort’ bestond uit vijf kleine plaggehutjes, een eetzaal, vier douchehokken (lees: hokjes waar je een emmer water over je hoofd kon gooien) en een binnenplaats. In het gebied waar wij zaten had het al twee jaar niet geregend, en dat was duidelijk te zien. Mensen liepen af en aan naar de rivier en maakten steeds diepere gaten om zichzelf van water te voorzien. Voor zover dat nog niet het geval was, kwam het besef hard binnen: we waren in een totaal andere wereld. Heel wat bekijksIn de twee weken die volgden werkten we mee aan de bouw van het kindertehuis. Onze bijdrage bestond uit het maken van de overkapping voor het waterreservoir. Elke ochtend ontbeten we hetzelfde: een stuk mango en meloen en een eitje. De eerste week gingen we onder begeleiding van Hellen of een bewaker van het ‘resort’ met de bus. Een bijzondere ervaring. Het was een personenbusje zonder ramen met zitplekken voor tien mensen. Zodra die zitplekken bezet waren, werden er over het gangpad plankjes tussen de stoelen gelegd. Zo werden er nieuwe zitplaatsen gecreëerd. Wanneer die plekken ook vol waren, zochten mensen plek bij elkaar op schoot, in de deuropeningen en op het dak. Ook hingen er met regelmaat mensen aan de achterkant van het busje. Plek of geen plek, ze moesten mee. De tweede week mochten we zelfstandig naar het kindertehuis toe. Bergafwaarts met de fiets waren we er zo, maar we kozen er vaak voor om te lopen. Tijdens onze wandeltochten hadden we veel bekijks. Veelvuldig werden we aangesproken, altijd met dezelfde vragen: “Heb je wat geld voor me?” “Mag ik je schoenen hebben?” “Kun je me helpen aan wat eten?” We waren in een gebied waar bijna nooit blanke mensen kwamen. Kinderen op schoolpleinen stopten met spelen wanneer wij voorbij liepen. Ze hingen in de hekken en riepen ons na. “Zulu”, een scheldwoord voor blanke mensen, kregen we met regelmaat naar onze hoofden geslingerd. Er waren zelfs kinderen die zo van ons schrokken, dat ze spontaan begonnen te huilen. Voor het eerst in hun leven zagen zij blanke mensen. Harald, met zijn één meter negentig al helemaal een opvallende verschijning, moest diverse malen voor een foto opdraven. Onze wandeltochten waren elke dag weer een bijzondere ervaring. “Vijf minuten later stonden we weer buiten. Ik met een kort gewiekt kapsel en de rekening van zeventig cent. En dat was inclusief een flesje cola.“